wezenpensioen

Het wezenpensioen wordt alleen betaald aan volle wezen. Zowel vader als moeder moeten dus zijn overleden. Als volle wees telt in dit verband ook het onwettige kind waarvan de moeder is overleden, en dat niet door de vader is erkend.

De wezen moeten jonger zijn dan 16 jaar, of, wanneer ze onderwijs volgen, jonger dan 26.

Ook aan 16 en 17-jarigen die invalide zijn kan een pensioen worden toegekend.

Voorbeeld: zijn er na overlijden van de ouder(s) twee kinderen, een van 15 jaar en een niet-schoolgaand kind van 17 jaar, dan krijgt het kind van 15 jaar wezenpensioen. Maar het kind van 17 jaar komt weer wel in aanmerking voor wezenpensioen, als dit kind het huishouden doet en daaraan het grootste deel van zijn tijd besteedt.

Het wezenpensioen houdt het kind tot aan het zestiende jaar. In bijzondere gevallen tot aan het achttiende of zelfs het zevenentwintigste jaar.

Het weduwenpensioen eindigt:

1) als de weduwe geen ongehuwd eigen kind meer heeft; is ze al 35 jaar als haar (laatste) kind trouwt of overlijdt, dan houdt ze het weduwenpensioen;

2) als ze niet langer arbeidsongeschikt is; is ze echter op het moment dat ze niet langer arbeidsongeschikt is al 40 jaar, dan houdt ze het pensioen.

In elk geval stopt het pensioen met ingang van de maand waarin de weduwe 65 wordt.

Als de weduwe hertrouwt, dan wordt haar weduwenpensioen (of de eventuele tijdelijke weduwenuitkering) afgekocht door een uitkering ineens. De hoogte daarvan is maximaal een jaarbedrag van de door haar genoten uitkering.

Het weduwen- en of wezenpensioen wordt aangevraagd bij de Raad van Arbeid van het rayon van inwoning.
Voor beroep kan men zich wenden tot de Raad van Beroep en vervolgens tot de Centrale Raad van Beroep.

Deel dit bericht:
Facebook Twitter Plusone